Het peilen met de tanden.

Het dreigen met de slangendans,de schalen altijd uit balans.

Het rond draaien omkeren met neuzen,de holte onder armen de keuzen.

Met de scharen van een kreeft,die begrijpen hoe men eet.

Het bloeien en verwelken zoals de ijsblokjes die smelten.

De lichtboeien kennen hun doelen,onderin geen munten gaan zoeken.

De kabelbanen bedekt met sneeuw,de stoelen bewegen op en neer.

Het dragen de vaas met oren,de luchtruimte vullen bedrogen.

De gevlochten vezels in een koord,uit elkaar halen en worden beloond.

In de putten,de diepte door-boren,de handrem in hoogte beloven.

De klei en grond zitten met vragen,verhitten de plannen,die het bouwen vertragen.

De snelheid met het nemen,in de mond een vraagteken.